Navigatie in 10 stappen

1. Coördinaten

De kaartpositie is gedefinieerd aan de hand van coördinaten:
a. Van evenaar naar Noordpool in Noorderbreedte van 0° tot 90°
b. Van evenaar naar Zuidpool in Zuiderbreedte van 0° tot 90°
c. Van Greenwich meridiaan Oostwaarts in Oosterlengte van 0° tot 180°
d. Van Greenwich meridiaan Westwaarts in Westerlengte van 0° tot 180°

2. Zeemijl

Aangezien de aarde rond is, en dus de meridianen (Ooster- en Westerlengte) van evenaar naar de polen steeds dichter bij elkaar komen te liggen, is de ”Breedtegraad” als ”meeteenheid” gekozen, Van evenaar naar noordpool zijn 90 breedtegraden, iedere graad bestaat uit 60 minuten. ( 1 minuut=100seconden)
Één breedteminuut = 1 zeemijl

3. Plaatsbepaling

Iedere plaats op de wereldbol kan dus nauwkeurig gedefinieerd worden:

a. door de coördinaten van breedtegraad/ minuut/ seconde
b. door de coördinaten van lengtegraad/ minuut/ seconde
c. iedere kaartpositie heeft dus ook zijn eigen coördinaten die opgemeten kunnen worden in de kaart met behulp van de coördinaten verdeling langs de zijkant van de kaart.
Afstand meten altijd met breedte minuut (verticale balk langs kaart)

4. Variatie

De positie 90° NB noemen we de geografische Noordpool, de positie 90° Zuiderbreedte noemen we de geografische Zuidpool. Hier komen alle ”lengte meridianen” bij elkaar dus die hoeven we niet nader te definiëren.
Helaas valt het magnetische noorden niet precies samen met het geografische noorden. Dit noemen we de ” VARIATIE” .
Per plaats op aarde en per jaar kan deze miswijzing van het magnetische kompas variëren. De variatie moet dus steeds per jaar van de juiste kaart afgelezen worden.

5. Koers bepalen

Op iedere (nautische) kaart staat een kompasroos om zowel het geografische noorden als het magnetische noorden aan te geven. Als we onze eigen positie weten in de kaart en we willen naar een ander punt varen, dan kunnen we met behulp van een parallel liniaal of liever met een plotter (liniaal met draaibare kompasroos) de ”koers” bepalen. De koers is dan de richting van de lijn die we over de kaart af moeten leggen. We lezen de koers in de kaart af en moeten vervolgens met behulp van ons kompas die koers gaan sturen.

6. Kaartkoers en kompaskoers

Omdat het magnetische noorden niet hetzelfde is als het kaartnoorden moeten we echter een correctie toepassen. Namelijk de VARIATIE.
Kompaskoers = Kaartkoers –Variatie
Kaartkoers = Kompaskoers + Variatie

Een voorbeeld: Ik wil van Muiden naar het Paard van Marken
a. de kaartkoers is 20°
b. de variatie (1993) is -2 (west)
c. kompaskoers is 20-(-2)= 22° te sturen
d. uiteraard moet ik het “windeffect” ofwel de drift ook nog compenseren in mijn te sturen koers. Die moet ik inschatten aan de hand van mijn kennis van de boot, de windrichting t.o.v de vaarrichting en de weersomstandigheden.

1e: bepaal de te varen koers
2e: bepaal de windrichting t.o.v. de koers ( is de koers bezeild?)
3e: Bepaal de te varen koers een aantal graden naar de wind toe
Drift:
Scherp jacht
aan de wind 3°-7°
halve wind 3°
ruimere koersen 0°
Platbodem / “minder scherp” jacht
aan de wind 5°-10°
halve wind 5°-7°
ruimere koersen 0°-3°

7. Peilen

Als je vaart en je wilt je positie bepalen of checken dan kun je met een peilkompas een peiling nemen op bekende punten. Dat kunnen herkenbare objecten op de wal zijn, maar ook tonnen of boeien of palen.
a. Als je over het peilkompas naar het te peilen punt kijkt kun je de kompasrichting van jou uit naar het object aflezen.
b. In de kaart kun je nu vanuit het object een lijn, 180’ de andere kant op, naar jouw positie trekken. Waar op die lijn je zit weet je nog niet.
c. Als je nog een 2e punt kunt peilen trek je op dezelfde manier een 2e lijn in de kaart en op het snij punt van de lijnen is jouw positie. Kies de te peilen punten liefst ca. 90° uit elkaar.

8. Van peiling naar kaart

Als je peilt heb je een kompaskoers, en in de kaart moet je een kaartkoers intekenen. Je moet dus even de variatie verrekenen.
Kaartkoers = Kompaskoers + Variatie

9. De Ezelsbrug

Als ezelsbruggetje spreken we af dat de kaartkoers de juiste is. Oftewel de GOEIE. Het kompas wijst niet het juiste noorden aan en is dus de KWAAIE. Heb je de kaartkoers (goeie) en wil je de te sturen kompaskoers (kwaaie) weten dan moet je dus rekenen van de goeie naar de kwaaie.
Van de ”Goeie” neer de ”Kwaaie” moet je het teken draaie
Goeie (kaart) – (variatie) =Kwaaie (kompas)
Van de ”Kwaaie” naar de ”Goeie” moet je niet aan het teken knoeie
Kwaaie (kompas) + (variatie) = Goeie (kaart)

10. Deviatie

Vooral op een stalen schip, maar ook op een polyester boot (motor) kan het aanwezige ijzer de kompas aanwijzing verstoren. Dit noemen we deviatie. Voordat we dus de ”kompaskoers” kunnen vaststellen moeten we eerst deze afwijking verrekenen met de afgelezen waarde. De deviatie is per schip en per koers verschillend en moet door deskundigen opgemeten worden. Dit levert een tabel op met voor een aantal kompaskoersen de deviatie. Je krijgt dus een tabel met in de ene kolom de juiste kompaskoers en in de 2e kolom de aangewezen kompaskoers. Moet je een kompaskoers sturen dan moet je in de tabel aflezen welke aflezing je dan voor moet houden. Heb je een peiling gemaakt, dan moet je eerst in de tabel aflezen welke kompaskoers bij die aflezing hoort voordat je er verder mee kan rekenen.